Zijn leven

 

1916 - 1934

Roald Dahl werd in 1916 in Llandaff, Cardiff (Wales) geboren als kind van Noorse ouders, Harald Dahl en Sofie Magdalene Dahl-Hesselberg. Roald werd vernoemd naar de poolreiziger Roald Amundsen, een nationale held in Noorwegen. Hij sprak thuis Noors met zijn ouders en zussen.

In 1920, toen Roald drie was, stierf zijn zeven jaar oude zuster Astri aan een blindedarmontsteking. Ongeveer een maand later overleed zijn vader op 57-jarige leeftijd aan een longontsteking. Roalds moeder besloot echter niet om naar Noorwegen terug te keren; het was de wens van haar man geweest dat hun kinderen op Britse scholen werden onderwezen. Vanaf zijn achtste werd Roald naar verscheidene kostscholen in Engeland gestuurd, met inbegrip van Saint Peter's in Weston-super-Mare. Later bezocht hij Repton in Derbyshire. Tijdens zijn jaren daar zou Cadbury, een chocoladeproducent, af en toe dozen nieuwe chocolade naar de school sturen, die door de leerlingen getest konden worden. Dit was een inspiratie voor zijn derde kinderboek Sjakie en de Chocoladefabriek.

In zijn kinderjaren en zijn tienerjaren bracht Dahl zijn zomervakanties door in het Noorwegen waar zijn ouders vandaan kwamen. Zijn kinderjaren zijn het onderwerp van zijn autobiografisch werk Boy: Verhalen van Kinderjaren.

1934 - 1941

In juli 1934 trad hij in dienst van de Shell Petroleum Company. Na een tweejarige opleiding in het Verenigd Koninkrijk werd hij overgeplaatst naar Dar es Salaam, Tanganyika. Samen met de twee enige andere Shell-werknemers in dit gebied leefde hij in luxe in het Shell Huis buiten Dar es Salaam, met een kok en persoonlijke bedienden. Bij het aanbreken van de Tweede Wereldoorlog meldde hij zich aan bij de RAF. Hoewel hij met 1,98 meter eigenlijk te lang was kreeg hij in Nairobi, Kenia de eerste vlieglessen in een Tiger Moth en daarna een vervolgopleiding in Irak. Op weg naar zijn eerste squadron in Libië crashte hij (1940). Na zijn herstel vloog hij als jachtvlieger in Griekenland en Palestina. Halverwege 1941 werd hij echter afgekeurd als gevolg van het zware hoofdletsel opgelopen in de crash in Libië.

1941 - 1990

Zijn schrijversloopbaan begon nadat hij door het leger was overgeplaatst naar Washington. Zijn eerste verhalen werden in de Saturday Evening Post gepubliceerd. Hij schreef voor kinderen en volwassenen, en zijn verhalen worden over het algemeen gekarakteriseerd door een humoristische en een donkere kant.

In 1953 trouwde Roald Dahl met de Amerikaanse actrice Patricia Neal. Ze kregen vijf kinderen: Olivia, Tessa (moeder van Sophie Dahl), Theo, Ophelia en Lucy. Theo raakte enkele maanden na zijn geboorte betrokken bij een verkeersongeluk en liep daarbij hersenschade en hydrocefalus op. Roald Dahl werkte naar aanleiding hiervan mee aan de ontwikkeling van de Wade-Dahl-Till shunt.[1][2] In 1962 stierf Olivia op zevenjarige leeftijd in het ziekenhuis aan subacute scleroserende panencefalitis. In 1982 droeg hij zijn boek De GVR aan haar op. In 1983 scheidde hij van Patricia Neal. Hij hertrouwde met Felivity Ann d'Abreu Crosland.

Roald Dahl stierf op 23 november 1990 aan leukemie. Hij ligt begraven op de heuvel tegenover 'Gipsy House', in Great Missenden, vlak bij Londen, waar hij lang gewoond en gewerkt heeft.

Roald Dahl (13 september 1916 ̶ 23 november 1990) is één van de beroemdste kinderboekenschrijvers ter wereld en schreef meer dan vijfentwintig kinderboeken. Dahl’s kinderboeken, zoals De GVR, Sjakie en de chocoladefabriek, Daantje de wereldkampioen, Matilda en De Heksen zijn verfilmd, bekroond en worden door kinderen over de hele wereld gelezen.

Roald Dahl schreef al zijn boeken in een schuurtje op zijn landgoed in Great Missenden, een dorp niet ver van Londen. Dit schuurtje was verre van luxe: het was er oud en smoezelig. Hij zat er in een oude kapotte leunstoel, met zijn benen in een slaapzak op een koffer. Hier zat Dahl iedere dag van tien tot halfeen. Vervolgens ging hij lunchen en uitrusten en schreef van vier tot zes uur weer verder.

Quentin Blake was zijn favoriete illustrator: ‘Het zijn de tekeningen van Quentin meer dan mijn eigen beschrijvingen die personages tot leven hebben gebracht.’